Nieuwsitems

Advocaat-generaal: regels Didam-arrest verduidelijken

6 juni, 2024

De regels van het Didam-arrest moeten worden verduidelijkt en beperkt. Dat heeft advocaat-generaal Snijders aan de Hoge Raad geadviseerd in zijn conclusie in de bodemprocedure van de Didam-zaak.

In de bodemprocedure heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 april 2023 de koopovereenkomst tussen de gemeente Montferland en Groenstaete vernietigd, omdat de gemeente daarbij de regels uit het Didam-arrest niet heeft nageleefd. De gemeente had niet exclusief mogen onderhandelen met Groenstaete, maar had ruimte moeten bieden voor mededinging, aldus het hof. Het hof heeft daarom de koopovereenkomst tussen de gemeente en Groenstaete vernietigd met een beroep op artikel 3:40 lid 2 BW.

Cassatie
Zowel de gemeente als Groenstaete hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De cassatieklachten zijn volgens de advocaat-generaal (AG) gegrond. Dit heeft volgens de AG tot gevolg dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd. Het hof had moeten onderzoeken of de gemeente voor de verkoop aan Groenstaete een goede reden had.

Redelijke en objectieve rechtvaardiging
Als de overheid een goede reden heeft om met een bepaalde gegadigde een overeenkomst te sluiten, kan dat volgens de AG een redelijke en objectieve rechtvaardiging opleveren voor een verschil in behandeling ten opzichte van andere gegadigden. Dit betekent volgens de AG dat een groot gedeelte van de in het verleden door de overheid gesloten overeenkomsten niet in strijd zijn met de regels uit het Didam-arrest.

Aansprakelijk voor schade
Verder stelt de AG dat een overeenkomst niet als ongeldig kan worden bestempeld als in strijd met de regels uit het Didam-arrest is gehandeld. Wel kan de overheid volgens de AG aansprakelijk zijn voor de schade als die regels niet zijn nageleefd.

Verduidelijking
Tot slot heeft de AG de Hoge Raad geadviseerd om duidelijkheid te scheppen over de reikwijdte van de regels uit het Didam-arrest en op welke manieren gelijke kansen kunnen worden geboden bij de toepassing van die regels.

Uitspraak Hoge Raad
Met de conclusie van de AG is het nu de beurt aan de Hoge Raad. Die doet naar verwachting op 25 oktober 2024 uitspraak.

Als uiterlijk 5 november aangifte is gedaan, kan de schenkbelasting worden afgetrokken in box 3

3 juni, 2024

Het nadeel dat de schenkbelasting niet aftrekbaar is in box 3 kan de begiftigde vermijden door kort na de schenking daarvan aangifte te doen en vervolgens vóór 1 januari de aanslag te betalen. Hierbij moet worden bedacht dat de Belastingdienst minimaal 8 weken nodig heeft om een (voorlopige) aanslag schenkbelasting op te leggen. Het kan echter gebeuren dat een aangifte schenkbelasting ondanks dat die uiterlijk 8 weken vóór het einde van het kalenderjaar (lees: 5 november) is ingediend, op een zodanig laat tijdstip wordt gevolgd door een (voorlopige) aanslag schenkbelasting dat de begiftigde daardoor redelijkerwijs niet meer in staat is om nog vóór 1 januari de verschuldigde schenkbelasting te betalen. Daarom heeft de staatssecretaris van Financiën voor deze situatie goedgekeurd dat de begiftigde in het verzoek om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting dan wel in de aangifte inkomstenbelasting de waarde van de banktegoeden in box 3 mag verminderen met de materieel verschuldigde schenkbelasting (zie beleidsbesluit van 7 mei 2024, nr 2024-5944).

Bij schenking vrij van recht geldt de aftrekbeperking niet voor de schenker maar voor de begiftigde
Bij een schenking vrij van recht heeft de schenker de verplichting op zich genomen om de verschuldigde schenkbelasting voor zijn rekening te nemen. Deze verplichting vloeit voort uit de schenkingsovereenkomst en niet rechtstreeks uit de Successiewet. De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst van de Belastingdienst stelt zich daarom op het standpunt dat de aftrekbeperking van artikel 5.3 lid 3 letter c Wet IB 2001 niet voor de schenker geldt. Het is de begiftigde die de aanslag schenkbelasting krijgt opgelegd en deze is aansprakelijk voor het betalen ervan. De verplichting van de schenker is daarmee niet te beschouwen als een verplichting tot betaling van de belastingschuld. De schenker mag deze verplichting daarom rekenen tot zijn schulden waardoor zijn rendementsgrondslag in box 3 lager wordt. Hierbij dient de schenker mogelijk nog wel rekening te houden met de schuldendrempel.

De verplichting van de schenker om de schenkbelasting voor zijn rekening te nemen vormt daarentegen voor de begiftigde een vordering (overige bezitting) in box 3. Verder loopt de begiftigde aan tegen de aftrekbeperking van artikel 5.3 lid 3 letter c Wet IB 2001 omdat hij formeel de schenkbelasting is verschuldigd. Als echter tijdig aangifte is gedaan van de schenking kan de begiftigde door de goedkeuring de schenkbelasting in mindering brengen op zijn banktegoeden.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat op grond van artikel 5.4a Wet IB 2001 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 vorderingen en schulden worden gedefiscaliseerd tussen fiscaal partners en tussen een ouder en zijn minderjarige kind. In die verhoudingen worden bij een schenking vrij van recht de onderlinge vorderingen en schulden in box 3 genegeerd.
Belastingdienst 29 mei 2024, nrs KG:202:2024:19 en KG:202:2024:20

Volgend jaar meer duidelijkheid over meerouderschap en meerpersoonsgezag

18 april, 2024

Het kabinet gaat kijken naar de mogelijkheid om meerpersoonsgezag in te voeren. Een werkgroep werkt nu aan de voorbereiding van een wettelijke regeling hierover. Minister voor Rechtsbescherming Franc Weerwind verwacht dat hij begin 2025 de onderzoeksresultaten en uitgewerkte beleidsopties met de Tweede Kamer kan delen.

Het wettelijk mogelijk maken van meerouderschap en meerpersoonsgezag voor maximaal 4 ouders zou volgens de minister een stap vooruit betekenen voor kinderen die opgroeien in een meeroudersituatie. Het kabinet doet al langer onderzoek naar deze opties. Weerwind wil bijvoorbeeld weten hoe het belang van het kind het beste kan worden geborgd in een regeling. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming werkt momenteel aan een advies, dat rond deze zomer wordt verwacht.

Het volledig gelijkstellen van 4 ouders is geen eenvoudige operatie, lichtte Weerwind tijdens een commissievergadering over personen- en familierecht toe. Op verschillende beleidsterreinen moeten keuzes worden gemaakt. Uiteindelijk is het aan de Tweede Kamer om te bepalen of er ook echt een nieuwe regeling komt.