Is een spaar BV aantrekkelijk in het nieuwe box 3-stelsel?

Is een spaar BV aantrekkelijk in het nieuwe box 3-stelsel?

Naar verwachting zal op 1 januari 2028 het wetsvoorstel “Wet werkelijk rendement box 3” in werking treden. Volgens dit wetsvoorstel wordt het werkelijke rendement van box 3-vermogen belast tegen 36%.
Niet alleen de reguliere inkomsten worden (na aftrek van kosten) belast maar ook de waardeontwikkeling die de box 3-bezittingen ondergaan.
Als hoofdregel wordt de waardeontwikkeling die een object in een bepaald kalenderjaar
heeft ondergaan in het betreffende jaar belast, ook indien het object niet wordt vervreemd.
Voor onroerende zaken (en participaties in een startende onderneming) geldt echter dat de
waardeontwikkeling pas wordt belast met inkomstenbelasting in het jaar van vervreemding.

De Eerste Kamer heeft een vraag gesteld over de kans dat mensen een spaar-BV oprichten en hun vermogen naar box 2 verplaatsen. In zijn antwoord stelt de staatssecretaris van Financiën dat het de verwachting is dat een deel van de mensen die structureel meer box 3-belasting gaat betalen het gedrag zal aanpassen door meer consumptie, schenkingen en/of giften, het verschuiven van hoogrenderende
naar laagrenderende beleggingen en/of het verplaatsen van vermogen naar een BV.

In het algemeen kan het volgende worden gezegd over de verschillen in effectieve belastingdruk
tussen box 2 en box 3. Het laagste gecombineerde tarief in de vennootschapsbelasting
en box 2 (38,85%) is hoger dan het tarief in box 3 (36%). Daarentegen kan in de BV de heffing
van vennootschapsbelasting over de waardeaangroei van beleggingen worden uitgesteld
tot verkoop, bijvoorbeeld door effecten te waarderen op de kostprijs. Daarnaast kan in
bepaalde situaties onder voorwaarden ook de heffing van vennootschapsbelasting over de
verkoopwinst worden uitgesteld via de vorming van een zogenoemde herinvesteringsreserve.
Verder kan de heffing in box 2 worden uitgesteld als de winst in de BV wordt gehouden.
Het opzetten en onderhouden van een BV brengen echter wel incidentele en jaarlijkse kosten
mee zoals: – notariskosten voor de oprichting; – kosten voor het voeren van de administratie, opstellen van jaarstukken, en – het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting.

Voor belastingplichtigen met een lange beleggingshorizon kan de route via de BV vanwege
het kunnen uitstellen van (een deel van) de heffing fiscaal aantrekkelijk zijn ondanks de
eenmalige en jaarlijkse kosten voor een BV. Voor spaarders en beleggers met een kleiner
vermogen, een lager rendement of een beperktere beleggingshorizon zal het aanhouden
van vermogen in box 3 doorgaans fiscaal aantrekkelijker zijn omdat gebruik kan worden
gemaakt van het heffingsvrije resultaat van € 1.800 en de kosten van een BV worden bespaard.

De staatssecretaris merkt nog op dat de verschillen tussen box 2 en box 3 minder zullen
zijn op het moment dat in box 3 een volledige vermogenswinstbelasting wordt ingevoerd
zoals in het coalitieakkoord is afgesproken. Dan zal – net als straks bij onroerende zaken –
de waardeontwikkeling van box 3-vermogen pas bij een vervreemding worden belast.